Helena Jansz in gesprek met fotograaf Henk Braam

 

 

Reisverslagen

“Ik ben een stel ogen die op reis gaan” 

 

Henk Braam omschrijft zijn manier van fotograferen als objectief. Hij is een reiziger zonder missie, maar met een persoonlijke levensvisie. In Broken Hill

(1960 en destijds een Engelse kolonie in Zambia) groeit Henk tweetalig op: Engels en Duits. Het gezin vestigt zich later in Nederland waar hij de middelbare school en daarna de kunstacademie in Arnhem doorloopt.  

 

Verkeerde been

Vol lof, respect en knikkend van waardering verslind ik de hoofdstukken op Henk Braams site/blog. Al bladerend groeit het respect voor deze fotograaf die aardig wat prijzen in de wacht heeft gesleept. 

Naast beelden veel tekst, verhaal moet ik eigenlijk zeggen, want Henk beschrijft zijn reizen tot in detail. De beelden van Rwanda zijn confronterend. Zijn reizen door India sprekend. De ruim vierhonderd kilometer lange route tussen Srinagar in Kashmir en Leh in Ladakh gevaarlijk. Henk legde de route liftend af. Vrachtwagens belanden regelmatig in het ravijn en vrouwen werken net zo hard mee in een verstikkende atmosfeer. Zijn foto’s van het circus ontroeren. Al lezend ben je met hem op reis en maakt zijn integere fotografie heftig emoties los. Zijn foto’s zijn indringend, maar laten ook de mooie kant van de mens en veel humor zien. Plotseling word ik op het verkeerde been gezet door een laatste zinnetje: “Recently Henk has began to draw comics again, a hobby dating back to his childhood” Het woord comics kun je aanklikken en ik kom, niet zonder verbazing, uit bij: The adventures of Bolly !

 

Zou je die link er niet liever afhalen? Wat is de relatie met je fotografie?

“Die is er niet. Van kind af aan ben ik goed in tekenen  geweest. Ik wilde striptekenaar worden en heb op de kunstacademie grafische vormgeving gedaan. In het eerste jaar was er een excursie naar een tentoonstelling van Cartier Bresson. Ik dacht, jee die man reist rond, maakt van alles mee en ziet van alles, terwijl tekenen een op de zolderkamer eenzaamachtig beroep is. Het reizen, het naar buiten toegaan en de interactie met mensen, reizen, avonturen, het ontdekken van vreemde culturen, dat stond me wel heel erg aan. Langzaamaan ben ik steeds meer in de richting van de fotografie terecht gekomen. En striptekenen is nog steeds een hobby.”

 

 

Je werk omschrijf je als “strong messages”. Wat bedoel je daarmee? Heb je een boodschap?

“Boodschap klinkt pathetisch. Hoe moet ik het zeggen? Ik weet niet of ik echt een boodschap over wil brengen. Ik werk aan bepaalde series en er zit dan misschien iets van een verhaal in of beter gezegd een visie, een manier van kijken naar het leven. Mijn manier van fotograferen is objectief. Ik heb van te voren niet echt een duidelijk standpunt. Ik fotografeer observerend. De boodschap, als die er al inzit, wordt er achteraf  uit gedestilleerd.” 

 

Door wie?

“Door mij. Na een bepaalde tijd zag ik een lijn, de rode draad in het werk dat ik door de jaren heen had vastgelegd. Ik wil niet teveel nadenken. Vroeger kon ik op reis gaan met een bepaald doel en dan kwam daar niets van terecht. Tegelijkertijd zag ik wel andere mogelijkheden die ik van te voren nooit had kunnen bedenken. Ik ben meer een documentaire fotograaf. Een hele leuke tak daarvan, waarmee je niet echt je geld kunt verdienen, is de straatfotografie. Gewoon de straat op zonder enig vooropgezet doel en kijken wat je tegenkomt, het toeval uitdagen. Ik bedenk niet graag dingen van te voren, laat ze maar gewoon komen.”

 

“Toen ik naar Amsterdam ging had ik mezelf drie doelen gesteld: ik wilde bij HH terechtkomen, een prijs winnen bij de Zilveren Camera en perse voor Artsen zonder grenzen werken”

 

Tot 1993 heb je veel gereisd, daarna werd je editor voor Amnesti International in Amsterdam

“Ik werd fotoredacteur.”

 

Zat je op kantoor of hoe stel ik me dat voor?

“Ja. Ik moest de foto’s uitzoeken voor het maandblad dat ze uitgaven. Ik leverde eigen foto’s aan bij interviews, maar het betekende ook dat ik bij allerlei fantastische fotobureaus kwam, waaronder ook “Hollandse Hoogte”. Ik wilde graag lid worden van HH, maar ze reageerden niet enthousiast. Ze hadden al zoveel fotografen. Ik wist wat ze wel en niet in hun bestand hadden en wilde een goede indruk maken. Op een dag liet ik vijftig zwart-wit foto’s, op zes bij zes formaat, van India achter die ik gemaakt had met de Rolleiflex. De volgende dag had ik een contract en twee weken later werd de eerste foto gepubliceerd in de Volkskrant.”  

 

Heeft HH bijgedragen aan je carrière?

“Jazeker. Het is fijn om vertegenwoordigd te worden door een bureau. Ik haal er een deel van mijn inkomsten uit. Voor HH ben ik b.v. naar India gegaan om daar voor Philips een reportage te maken en naar Indonesië. Toen was het nog een kleine leuke club. Vroeger ploeterde je wekenlang in de doka om vervolgens dat ene doosje met foto’s te overhandigen. Het was bijna een ritueel. Nu zijn ze uitgegroeid en op het juiste tijdstip van analoog op digitaal overgegaan.” 

 

Je hebt in 1996 een startersprijs gewonnen. Welke mogelijkheden gaf dat?

“Fotografie blijft een lastig vak. Je denkt dat opdrachten wel naar je toekomen, maar je moet het zelf blijven initiëren. In 1996 heb ik met een andere fotograaf een fotostudio opgezet. Geld was er niet echt en ik weet nog dat ik in een penibele situatie terechtkwam. Ik heb alles aangepakt wat er voorbij kwam, waaronder ook bruidsreportages. De prijs van het Amsterdams Fonds voor de Kunsten kwam gewoon naar me toe. Concessies heb ik minimaal gedaan. Ik denk dat als je met hart en ziel doet wat je het liefste doet en waar je goed in bent, dan moet je dat gewoon doen en dan komt er vanzelf iets naar je toe.”

 

Je hebt drie keer een prijs voor de Zilveren Camera gewonnen

“De grootste Nederlandse prijs voor de journalistieke fotografie is een bevestiging dat je goed bezig bent en verder moet gaan op de ingeslagen weg. Ik ging voor een opdracht naar Indonesië om te fotograferen bij een arts die implantaten bij vrouwen in de arm plaatste, zodat deze niet zwanger zouden raken. Van die foto’s kwam niets terecht, want op de dag dat ik aankwam … (jij zei: brak de pleuris uit, maar wat gebeurde er precies?) en die opdracht ging niet door. Je kon niet anders doen dan de straat opgaan en te aanschouwen wat daar gebeurde. Daar heb ik een serie van gemaakt. De nieuwswaarde telde ook mee voor de zilveren camera. De eerste keer dat ik meedeed had ik de eerste prijs.”

 

Circus Kronen en het uitstervende circus in India. Wat is je fascinatie voor het circus?

“Romantiek. Ik vind het circus leuk.”

 

Het beeld of ga je voor je lol?

“Als onderwerp om te fotograferen. Er gebeurt van alles. Dat maakt het boeiend. Ik had één cameraatje met een 35 mm lens mee. Ik heb daar gewoon één middag, vanuit rust, héél goed gekeken, geobserveerd. Totaal old school en die serie heeft me een prijs opgeleverd  voor de zilveren camera.” 

 

“Rolleiflex: een camera die beroemd is om zijn mooie onscherpte”

 

In 1990 ben je 11 maanden met een oude Rolleiflex op stap geweest en prachtige beelden gemaakt. Heb je hem nog?

“Ja. Technisch gesprokengeeft hij een hele mooie onscherpte. Je stelt ergens op scherp en dat wat onscherp is wordt door de Rolleiflex heel mooi vertaald. Dat ligt aan de kwaliteit van het glas.”

 

Mis je dat?

“Ja, een beetje wel. Ik heb toch weer film in huis gehaald en me voorgenomen om met de Rolleiflex weer foto’s te gaan maken.” 

 

De foto van het anonieme skelet in de rivierbedding van de Yamuna laat zien hoe dicht dood en het leven bij elkaar liggen

“De dood heeft in veel van mijn fotografie een bepaalde rol gespeeld. Met Artsen zonder Grenzen kwam ik in allerlei conflictgebieden.  Ik begon steeds meer de cyclus van het leven vast te leggen, een rode draad in mijn werk. Met name in India. Kinderen in de rivier voor de Taj Mahal, de rivier waarin de as verdwijnt, maar tegelijkertijd het nieuwe leven begint. Ik ben erg beïnvloed door de Oosterse filosofie. Godsdiensten interesseren me en ik heb religieuze onderwerpen gefotografeerd: o.a. pelgrimstochten en aanbidding. 

 

Je hebt de Dalai Lama ontmoet

Hij zei: “Een van de grootste lessen die je moet zien te leren in het leven is de voorbereiding op het grote onvermijdelijke.” 

 

In deze tijd zijn we al zo gewend aan indringende en schokkende beelden. Hoe denk jij hierover en waar ligt voor jou de grens?

“Ik weet niet precies waar de grens ligt. Het is uitermate belangrijk dat de gebeurtenissen in het leven, maar ook de mooie momenten het verdienen om vastgelegd te worden. Dat is de rol van de fotojournalist. Zonder de media is er geen nieuws. Het beeld verandert. Vroeger was een schokkend beeld een meisje uit Afrika met allemaal vliegen rondom haar ogen. Dat beeld is een cliché geworden en kun je als fotograaf niet meer gebruiken. Je moet zoeken naar nieuwe beelden. Het mooie van fotografie is dat het nooit is uitontwikkeld. Er is altijd weer een nieuwe kijkwijze die hetzelfde beeld op een andere manier laat zien.”

 

Je bent betrokken bij je onderwerp, je vertelt duidelijke een verhaal, maar je hebt ook een hoop ellende gefotografeerd, hoe hou je hierin afstand? 

“Als je bedoelingen zuiver zijn … ik fotografeer geen ellende om mensen in een ellendige positie te laten zien. Ik fotografeer ellende in de hoop dat men een beetje begrip krijgt voor de positie waarin bepaalde mensen zich bevinden. Ik probeer het altijd met een bepaalde waardigheid te doen.”

 

In Irak kon je niet verder fotograferen

“In Irak werd het me teveel, dat heb ik niet snel. Vaktechnisch gezegd kun je je  verstoppen achter een camera. Vaak vind ik het pas erg als ik de foto’s onder ogen krijg. Op het moment zelf spelen hele andere dingen, je ziet het wel, maar het is nog niet ingedaald. De werkelijkheid is natuurlijk veel complexer. Je focust op iets wat je wilt laten zien en dat vergroot je uit. In de werkelijkheid kunnen er bijvoorbeeld kinderen naast me spelen. Ik kwam een collega fotograaf tegen in India. Hij zei: Henk we hebben een heel mooi vak, wij mogen het meemaken. Het is zo dankbaar om getuige te zijn van misère. Als je thuis zit en het wordt de huiskamer ingeslingerd, dan voel je je hulpeloos.”

 

Vanaf de bank ervaar je niet de hitte, de stank en de broeierige vochtigheid, de omstandigheden waarin jij moet werken. Als je weer hier bent wat staat jou dan nog het meest bij? Krijg je er nachtmerries van? 

“Ja, ik heb wel nachtmerries gehad van bepaalde reizen waarvan ik terugkwam, maar het is niet zo heel erg. Je neemt een glas water en gaat weer verder. Het betekent dat je iets heel intens beleefd hebt. Ik ben heel dankbaar als ik intense ervaringen kan meemaken in mijn leven.”

 

“Mijn fotografie is een weerslag van mijn ervaringen van de dingen die ik gedaan heb”

 

Wat levert het je op?

Je moet je voorstellen dat ik er achter kwam dat ik mijn eigen leven aan het documenteren ben. Het is heel prettig om te weten dat als ik straks tachtig ben en denk: hoe zag mijn leven er ook al weer uit, ik alleen maar al die dozen hoef te openen en weer kan ervaren wat ik allemaal gedaan heb. De idealistische fotograaf, zoals de Magnum fotograaf, verbond zich met zijn hart aan de fotografie. Toen ik mijn eerste schreden in de fotografie zette wilde ik dat ook.

 

Dankjewel voor dit interview. Ik heb nog een laatste vraag voor je. Is Bolly je alterego of tegenwicht?

(Henk lacht lang en hartelijk)